De nagelaten betrekkingen

De nagelaten betrekkingen

In art. 7:674 lid 3 Burgerlijk Wetboek wordt aangegeven wie de nagelaten betrekkingen, dus de nabestaanden, zijn die voor een overlijdensuitkering in aanmerking komen. Nabestaanden zijn:- de echtgenote;
– de geregistreerde partner van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde of- degene met wie de werknemer ongehuwd samenwoonde.

Van ongehuwd samenwonen is in dat verband sprake als twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren. Niet onder deze categorie valt dus de situatie waarbij een van beiden nog met een ander is gehuwd. Een ‘gezamenlijke huishouding voeren’ wil zeggen dat de betrokkenen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben en in elkaars verzorging voorzien. Van het gezamenlijk voeren van een huishouding zijn uitgezonderd bloedverwanten in de eerste graad, dus ouders en kinderen.

Ontbreken deze hiervoor aangegeven nabestaanden dan komen voor de overlijdensuitkering in aanmerking de minderjarige kinderen met wie de werknemer in een familierechtelijke betrekking stond (zie ook Deel 1 7.3.9).
Mochten ook deze ontbreken dan is de nagelaten betrekking degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van levensonderhoud hij grotendeels voorzag.

Vernietigbaarheid

Lid 6 van art. 7:674 Burgerlijk Wetboek geeft aan dat er niet ten nadele van de nabestaanden van de overlijdensuitkeringsregeling mag worden afgeweken. Mocht een dergelijke nadelige afwijking toch tot stand zijn gebracht, bijvoorbeeld een afspraak waarbij afstand is gedaan van het recht op deze uitkering, dan is een dergelijke afspraak vernietigbaar. Dit laat onverlet dat de nabestaanden wel afstand kunnen doen van de uitkering (zie art. 6:160 BW).

 De dood van de werkgever

Op grond van art. 7:675 Burgerlijk wetboek eindigt de arbeidsovereenkomst niet door Je dood van de werkgever, tenzij uit de arbeidsovereenkomst het tegendeel voortvloeit. De vraag rijst of dit laatste eigenlijk nog wel van deze tijd is. Als de werkgever Is overleden voordat de arbeidsovereenkomst is aangevangen, dan eindigt deze niet door zijn dood.

De beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege kan voortvloeien uit het verstrijken van de tijd of een andere objectief bepaalbare duur, maar kan evengoed een gevolg zijn van het intreden van een ontbindende voorwaarde. In tegenstelling tot de duur van de arbeidsovereenkomst waarbij de beëindiging objectief bepaalbaar is gaat het bij de ontbindende voorwaarde om een onzekere gebeurtenis waarbij het dus onzeker is of en wanneer de gebeurtenis zal plaatsvinden.

Ook is het mogelijk dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt door het bereiken van een bepaalde leeftijd. Van rechtswege’ betekent niet meer of minder dan dat voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst door een van de partijen geen opzegging is vereist. Dat betekent dat de voor de opzegging geldende voorschriften niet van toepassing zijn.

Dat geldt niet alleen voor bijvoorbeeld de voor de opzegging in acht te nemen termijn(en); ook hoeft er geen toestemming van de Centrale organisatie werk en inkomen te worden verkregen om de arbeidsovereenkomst te mogen opzeggen. Naast dit algemene opzegverbod gelden ook de bijzondere opzegverboden niet.

Beëindiging door het verstrijken van de tijd

Art. 7:667 lid 1 Burgerlijk Wetboek bepaalt eenvoudigweg dat een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt door het verstrijken van de tijd die in de arbeidsovereenkomst. door de wet of door het gebruik is aangegeven. De arbeidsovereenkomst aangegeven as het gaat om het verstrijken van de tijd die in de arbeidsovereenkomst is aangegaan dan is er sprake van een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd (zie Meel 1 6.2). Van belang is dat het einde van die arbeidsovereenkomst objectief bepaal- is. Een dergelijke arbeidsovereenkomst komt in veel verschijningsvormen.

Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *